woensdag 19 april 2017

Kirschner en Stevens

Kirschner bestrijdt onderwijsmythes. In het onderwijs doen inderdaad diverse quasiwetenschappelijke theorietjes de ronde die geen hout snijden, en het is goed om die te blijven bevragen, steeds weer. Het blijft een hardnekkig verschijnsel. De meeste leraren zijn nu eenmaal niet academisch opgeleid en kunnen niet altijd goed beoordelen wat al die theorieën die op internet de ronde doen, waard zijn. Het is belangrijk dat we met elkaar steeds blijven proberen de complexe werkelijkheid recht te doen.

Het is echter precies onder invloed van de scientistische cultuur waarin juist Kirschner het lichtend voorbeeld lijkt te zijn, een cultuur waarin datgene wat men 'harde data' noemt verafgood worden, dat tegenwoordig de frase 'onderzoek heeft aangetoond' in het onderwijs in ieders mond bestorven ligt, kvaak zonder dat men weet welk onderzoek dan, of wat dat onderzoek in feite waard is.


En dan komt daar de grote ontmaskeraar van onderwijsmythes, professor Paul Kirschner, en vervolgens lopen de leraren in groten getale achter deze nieuwe held aan. Echt wijzer zijn ze daardoor niet geworden, want ook de absolute en eenduidige waarheid die Kirschner lijkt te verkondigen is een simplificatie.

Ik geloof onmiddellijk dat je door middel van empirisch-analytisch onderzoek kunt aantonen dat bepaalde instructietechnieken effectiever zijn dan andere. Maar voordat je ze kunt toepassen, moet een kind bereid zijn zich te engageren met wat jij als leraar op het oog hebt. En dat kun je niet afdwingen. Zoals het spreekwoord zegt: je kunt een paard naar de rivier brengen maar je kunt hem niet doen drinken.

Effectieve instructie neemt de bereidheid van de leerling als uitgangspunt, terwijl die er vaak niet is. Als je je een leerling voor de geest haalt met wie je je geen raad weet, die je niet begrijpt, die zich verzet - die kun je pas 'effectief instructie geven' als hij of zij zich voor je openstelt en de relatie met jou aangaat. Hoe die relatie ontstaat? Daar kunnen empirisch-analytici weinig zinnigs over zeggen, omdat het geen causaliteitsrelatie is, maar een betekenisrelatie.

Onderzoek naar effectieve instructietechnieken en onderzoek naar bereidheid en engagement zouden mijns inziens niet tegenover elkaar maar naast elkaar moeten staan. De twee onderwerpen bestrijken verschillende aspecten van de werkelijkheid en vragen om verschillende onderzoeksbenaderingen. Effect kun je empirisch-analytisch onderzoeken, engagement en relatie behoren eerder tot het geesteswetenschappelijk domein.

Sommige aspecten van de werkelijkheid vragen om een biologische, andere om een psychologische, sociologische of filosofische benadering, en zo zijn er nog andere benaderingen denkbaar, Als ik mijn been breek ga ik naar de dokter, als ik mijn woede niet kan beheersen ga ik naar de psycholoog. Bij vragen over vrijheid en verantwoordelijkheid en engagement raadpleeg ik de pedagogiek en de filosofie.

Voordat ik als leraar ook maar iets met een kind kan beginnen, komt het erop aan dat een kind 'als subject kan verschijnen'. Wat betekent het om als subject te verschijnen? Dat is een filosofische vraag. Noch de biologie, noch de sociologie, noch de onderwijskunde, noch de filosofie of de pedagogiek vertellen het hele verhaal.

Het spreken over onderwijs is heden ten dage sterk gepsychologiseerd. Leraren, schoolleiders en bestuurders lijken zich nauwelijks bewust van de eenzijdigheid van dat perspectief. Er wordt alom gepraat in termen van gedrag en gedragsregulering, alsof kinderen circuspoedels zijn, objecten van effectieve beïnvloeding. De filosofie en de pedagogiek daarentegen benaderen kinderen als subjecten die handelen in relatie tot anderen, en onderzoeken mogelijke interpretaties van de betekenis van dat handelen. De geesteswetenschappen belichten daarmee een aspect van de werkelijkheid dat onderbelicht blijft in de manier waarop heden ten dage over onderwijs gesproken wordt.

In die zin is de monomane stelligheid van Kirschner evenzeer een mythe als de misvattingen die hij bestrijdt, want niet alles wat buiten zijn wereldbeeld valt is lariekoek. Zelfs als Kirschner het zo niet bedoelt, dan is het wel de manier waarop zijn verhaal door veel leraren, schoolleiders en bestuurders wordt opgevat - op dezelfde oppervlakkige manier zoals die waarmee de 'multiple intelligences' van Gardner en de 'mindset' van Dweck zijn gesimplificeerd.

Ik hoop dat we met elkaar, Kirschner en Stevens incluis, de verantwoordelijkheid op ons blijven nemen om steeds de nuance te zoeken en de complexe werkelijkheid proberen te verhelderen zonder zaken te simplificeren.


woensdag 30 november 2016

Vrijheid en digitalisering 2

Dat alles gezegd hebbende (zie vorige blogpost), heeft de digitale orde natuurlijk ook allerlei dingen mogelijk gemaakt, die er vóór het bestaan van het internet niet waren. Het is niet allemaal kommer en kwel, ook niet in mijn ogen.

De meeste van mijn onderwijsvrienden heb ik bijvoorbeeld via het internet gevonden – via twitter en blog - en het is daar dat ik het meest van gedachten wissel en het meest opsteek over onderwijs. 

De mensen die samen Het Alternatief hebben geschreven, vonden elkaar via sociale media, en die groep onderhoudt nog steeds contact met elkaar, onder andere via twitter. Ik heb het aan twitter te danken dat ik een school vond waar de schoolleider en de collega’s mij op waarde weten te schatten. Ik vond online de mogelijkheid om subsidie aan te vragen voor het onderzoek dat ik nu doe, en de leraren met wie ik dat project uitvoer heb ik ook deels via sociale media gevonden. Ik vind online allerlei artikelen en podcasts die mijn denken verrijken, en mensen met wie ik onderwijsavonturen beleef.

Toen Olaf de Groot op twitter zag dat ik met zijn hagelslagrobot-les in de weer was, ontstond bijvoorbeeld het plan om samen een blokfluitprogrammeerles te gaan doen en hij kwam daarvoor bij mij in groep 5 op bezoek.

Ook ontmoette ik via twitter Astrid Poot, en samen hebben we in groep 4 een gereedschapscircuit uitgeprobeerd met mijn klas. Later hebben we ook een keer samen met leraren een workshop Makered gedaan op een studiedag van mijn schoolbestuur, om leraren het specifieke maker-gevoel te laten ervaren.

En gisteren maakte ik met Don Zuiderman een podcast: ook die ontmoeting kwam via twitter tot stand.

Wat ik prachtig vind van communiceren via internet is dat iedere hiërarchie en iedere fysieke afstand wegvalt, en iedere drempel die dat zou kunnen opwerpen om in gesprek te gaan met een ander. Je kunt rechtstreeks met een minister, de staatssecretaris, de hoofdinspecteur van het onderwijs of een hoogleraar van gedachten wisselen, en allerlei geestverwanten opduikelen, en dat over de hele wereld, op voet van gelijkheid en thuis op de bank, terwijl boven je kinderen slapen en jij het fort bewaakt. In die zin is het internet buitengewoon bevrijdend.

In de klas zie ik ook zeker voordelen van digitale middelen. Op het digibord kun je alles wat je je klas over de wereld te vertellen hebt, illustreren met treffende beelden. Vragen waar je het antwoord zo gauw niet op weet, kun je opzoeken waar de kinderen bij zijn, zodat ze zien hoe jij dat doet en ze het straks zelf ook kunnen. 

Ik hou ervan in de klas – dit jaar groep 8 - verhalen te vertellen, over de Inca’s of over de bibliotheek van Alexandrië of over het wereldbeeld van Ptolemaeus en Copernicus, en die kan ik nu fijn illustreren met een prezi, tjokvol aansprekend beeldmateriaal. Ik ben daarvoor niet afhankelijk van wat er aan lesmateriaal voorhanden is. Daardoor ben ik vrij om de keuzes te maken die op dit moment bij deze groep passen.

In de klas maak ik gebruik van google docs. Ik geef in groep 8 schrijfdidactiek. De kinderen leren teksten schrijven in verschillende genres. Ik vind het belangrijk dat ze leren dat schrijven meer is dan in één keer iets op papier zetten. Schrijven is ook: schrappen, terugkijken, schaven en schuren. Het is niet te doen om dat herschrijven met de hand te doen. Dat doen grote mensen ook niet. We schrijven hooguit de eerste versie met de hand, en dan typen we het uit, en dan pas gaan we schaven. Dat leer ik de kinderen nu ook. 

Via google docs geef ik dan ieder kind afzonderlijk feedback via ‘suggesties’. We corresponderen via de mail over de tekst, alsof ik hun redacteur ben. Net echt! Ik kan zo veel meer recht doen aan al die schrijvertjes in hun uniciteit dan wanneer ik in een half uur 28 schriftjes van een paar rode strepen en krullen voorzie.

Natuurlijk brengt digitalisering ook allemaal leuke en goede dingen met zich mee. Waar het mij om gaat is dat je je niet laat leven door wat je via het scherm allemaal overspoelt, maar dat jij zelf kiest, elk moment weer. Dat je je niet laat ontmenselijken. Want zoals Douglas Rushkoff zegt, die een van mijn favoriete podcasts maakt (die over de relatie tussen mens en technologie gaat): "Humans are cool!" 

Het gaat mij erom dat je met al je aandacht bij de mensen en de dingen bent, in het hier en nu, en dat je je er vrij en verantwoordelijk toe verhoudt – in de reële, maar ook in de virtuele wereld. Wat ik belangrijk vind is dat wij, leraren, ons realiseren dat onze vrijheid op het spel staat, en dat we ook de kinderen daarvan bewust maken.

De vraag is: zet je digitale middelen in op een manier die bijdraagt aan de vrijheid en het verantwoordelijkheidsbesef van de kinderen, of op een manier die ze onvrij maakt en afstompt?

Vrijheid en digitalisering 1

Als je naar digitale geletterdheid kijkt, dan denk ik dat het goed is om je af te vragen wat je ermee wil. Niet alleen: wat moeten kinderen kennen en kunnen en hoe moeten ze zich gedragen, maar: waar is het goed voor?

Goed onderwijs gaat niet alleen om de dingen die kinderen moeten weten en kunnen en de manier waarop je ze die dingen als leraar het beste aan hun verstand kan peuteren. Onderwijs en opvoeding zijn er als het goed is ook op gericht, dat kinderen zich vrij kunnen verhouden tot wat hun leraar en andere volwassenen hen allemaal aandragen. Het gaat er niet om dat ze braaf zijn en goed luisteren, maar dat ze uiteindelijk zelf kiezen, en dat ze goede keuzes maken.

Voor mij is het uiteindelijke doel van onderwijs dat mensen zich vrij en op een verantwoordelijke manier verhouden tot de mensen en de dingen om hen heen. Dat ze daar met hun aandacht bij zijn, en niet in een soort sluimerstand maar doen wat ze wordt opgedragen, of dat ze doen wat iedereen doet, als speelbal van alle mogelijke beïnvloeding.

De vraag die ik me ten aanzien van digitalisering stel is dan: Hoe kun je je vrij en verantwoordelijk verhouden tot de dingen die de digitalisering op je pad brengt? Hoe blijf je in die wereld overeind als uniek en autonoom subject? 

En welke rol spelen wij daarin als leraren, als we digitale middelen de klas inhalen, of als we in de klas op onbedoelde manieren met invloeden uit de digitale sfeer te maken krijgen?

Alom hoor je een luide roep om kinderen zo snel mogelijk onder te dompelen in de digitale wereld. Scholen zouden daar veel te voorzichtig mee zijn. Daar ben ik het niet mee eens. Ik denk dat het heel goed is om daar goed over na te denken en niet zomaar uitgelaten achter de hype aan te dartelen. 

Wat ik bijvoorbeeld heel merkwaardig vind, is dat er bij al het gejuich over ICT in het onderwijs zo weinig aandacht is voor het feit dat alles wat we online doen en iedere gadget die we de klas inhalen inmiddels onontwarbaar verstrikt lijkt te zijn in commerciële belangen, privacy issues en ondoorzichtige beïnvloeding. Ik twijfel er niet aan of commerciële partijen spelen een rol in de hijgerige sfeer van urgentie. Dat op zich is al beïnvloeding. Hoe vrij en verantwoordelijk verhouden leraren en onderwijsvernieuwers zich daartoe?

In de digitale wereld spelen allerlei kwesties een rol die te maken hebben met vrijheid en onvrijheid. Denk aan big data, marketing, privacy, personalisatie-algoritmen en allerlei vormen van manipulatie. Een aantal aspecten daarvan zijn onlangs nog weer eens heel helder in beeld gebracht door Maurits Martijn en Dimitri Tokmetzis van De Correspondent met hun boek Je hebt wel iets te verbergen en ook de Tegenlicht-aflevering What makes you click gaf te denken.
 
Ik weet niet meer waarom ik vind wat ik vind als ik via google iets opzoek. In hoeverre wordt wat ik vind door middel van personalisatie-algoritmen al voor mij voorgeselecteerd op basis van de karikatuur waartoe data-robots mij hebben gereduceerd? Er is sinds de oerknal nog nooit iemand geweest zoals jij, of zoals ik. We zijn volkomen uniek. Wat heeft het klantprofiel waartoe ik door die robots ben gereduceerd nog te maken met mijn unieke individualiteit?

In hoeverre worden mijn zelfbeeld en mijn wereldbeeld gevormd door de echoput waarin ik steeds datgene wat ik online al eerder aanklikte weer opnieuw terugkrijg? Wat wordt er allemaal bij mij weggehouden om me tot een steeds gemakkelijker te voorspellen klant te reduceren?

Kies ik waar ik op klik, of worden er psychologische spelletjes met me gespeeld om me tot klikken te manipuleren? Kies ik wanneer ik mijn sociale media check, of ben ik slaaf van het gevoel dat ik krijg bij een like of RT?

Internet doet net alsof het beter weet wie ik ben dan dat ik dat zelf weet, maar alles is gebaseerd op de veronderstelling van voorspelbaarheid. Vrijheid is precies de mogelijkheid, die er altijd is, dat je iets heel anders kiest dan wat in de lijn der verwachting ligt.

In hoeverre kun je je tot al die manipulaties vrij en op je eigen unieke manier verhouden? Het is belangrijk om kinderen te helpen om weerstand te bieden tegen de onvrijheden die de digitale orde met zich meebrengt. 

Om te beginnen zouden leraren en onderwijsvernieuwers zich zelf vrij en onafhankelijk een oordeel moeten vormen over deze kwesties, en zich de vraag moeten stellen: Waar is digitalisering goed voor? Wat willen we ermee en waartoe? En wat is - met het oog hierop - goed voor het onderwijs en voor de kinderen?

Luister ook naar de podcast die Don Zuiderman met mij maakte, over digitalisering en subjectwording.